Met dank aan E.J.Bron, gastschrijver
Dat de oorzaken voor Jodenhaat niet bij antisemieten, maar bij Joden worden gezocht is niet echt iets nieuws. Eerst werden ze gehaat, omdat ze Jezus aan het kruis nagelden, dan omdat ze door de vergiftiging van bronnen de pest veroorzaakten, later omdat ze zogenaamd het kapitalisme/communisme hadden uitgevonden.
Anti-Joods denken, zo veronderstelt de these van het ”geprovoceerde antisemitisme”(Eike Geisel), is de directe consequentie van joods gedrag, in zekere zin een gerechtvaardigde daad van collectieve zelfverdediging. Als ze er eindelijk eens mee zouden stoppen zich zo onmenselijk te gedragen, dan zou men ze immers ook met rust laten, zo luidt de stellige belofte. Maar ze luisteren niet naar datgene wat de antisemieten tegen hen zeggen, en daarom worden ze steeds maar door gehaat. Dat weet bijvoorbeeld ook Hajo G. Meyer, die in zijn boek ”Het einde van het Jodendom” verklaart, dat ”de vroegste oorzaak voor het antisemitisme in het Jodendom zelf zou liggen”.
Dat deze wijdverbreide vorm van omkering van schuld een positieve uitwerking heeft op het zelfbesef van de dragers van zo’n haatgevoel en deze het voor hen mogelijk maakt om de verantwoordelijkheid af te schuiven, verandert echter niets aan het feit, dat het antisemitisme helemaal niets met het daadwerkelijke gedrag van Jodinnen en Joden te maken heeft. De journalist Hermann Bahr schreef al aan het einde van de 19e eeuw: ”Als er geen Joden zouden bestaan, dan zouden de antisemieten ze moeten uitvinden, anders zouden ze niet van het genot van de enorme opwinding kunnen genieten”. Antisemitisme bestaat onafhankelijk van zijn object, het zegt dus weinig over Joden, maar veel over de behoeften van de antisemieten. En omdat dit denken een functioneel karakter vertoont, dus bepaalde opgaven voor de individuele psyche of collectieve verlangens van de mensen vervult, valt het ook moeilijk te ontkrachten. In zoverre is het ook een doodlopende straat in de strijd tegen het antisemitisme om de argumenten van de antisemieten met feiten te willen ontkrachten. Net zoals bij Hydra uit de Griekse mythologie groeien er met iedere afgeslagen kop meteen twee nieuwe aan, ieder argument, dat de antisemiet uit handen wordt geslagen, vervangt hij door minstens één nieuw argument.
In de 20e eeuw, toen voor de zaak met de moord op Christus niemand meer zo warm liep, konden antisemieten direct teruggrijpen op een heel complex nieuwe argumentatiepatronen. Sinds nu al meer dan 60 jaar dient Israël als rechtvaardiging voor de afkeer tegen Joden. Het bestaan van de joodse staat werkt daarbij als een verjongingskuur voor ouderwetse antisemitische stereotypen, en gewoon ook voor de beschuldiging zelf schuldig te zijn aan haat en vervolging. Vroeger mocht men de Joden niet, omdat ze op grond van ”Joodse eigenaardigheden” niet integreerden; tegenwoordig past Israël als ”kankergezwel” van het Midden-Oosten niet in zijn leefomgeving. Vroeger was men bang voor de zogenaamde macht van de Joden; tegenwoordig wordt er georeerd over de alom aanwezige ”Israël-lobby”. Al die antisemitische stereotypen, die men tegenwoordig niet meer ”mag” uiten (of het nu is, omdat ze achterhaald zijn of omdat de angst voor de joodse lobby te groot is) kunnen nu eindelijk weer onverbloemd worden gecommuniceerd – zolang men er maar op let niet ”de Joden”, maar ”Israël” te zeggen. Israël wordt zo tot de ”Jood onder de staten” (Léon Poliakov). Oude wijn in nieuwe zakken.
Juist in het land van de daad en de dader is deze vorm van op Israël geprojecteerde omkering van schuld heel populair, omdat deze het niet alleen toestaat om de oude antisemitische denkpatronen via de omweg Israël te kunnen verspreiden, maar ook, omdat deze argumentatie erg geschikt is voor de Duitse behoefte aan schuldverlichting. Meer dan 40 % van de Duitsers is het eens met de uitspraak: ”Gezien de politiek die Israël bedrijft, kan ik goed begrijpen, dat men iets tegen Joden heeft”. Volgens de peiling zijn er duidelijk minder mensen, die niet Israël, maar Joden rechtstreeks beschuldigen van de verantwoordelijkheid voor antisemitisme. Maar ook dit gebeurt nog steeds, zoals onlangs de ”Hannover Zeitung” in een antisemitisch artikel heeft bewezen.
Iedere keer als Israël militair actief wordt, voelen hele speciale vrienden van Israël zich genoodzaakt om in het strijdperk te treden. Ze menen het eigenlijk alleen maar goed met de joodse staat, willen hem voor onheil beschermen, en juist daarom leggen ze hem ook uit hoe dat zo gaat met het antisemitisme. ”Kritiek op Israël en antisemitisme hebben niets met elkaar te maken. Het is veelmeer de politiek van Israël die het antisemitisme in de wereld bevordert”, gaf bijvoorbeeld Alfred Grosser tijdens de Libanon-veldtocht te kennen, om daarna ongevraagd als politiek adviseur aan te bevelen: ”Het is Israël, dat zijn taal en houding moet veranderen.” Het is het oude spelletje: niet bijvoorbeeld bij de antisemieten moet het werk beginnen, maar de objecten van het haatgevoel moeten alsjeblieft over hun gedrag nadenken.
Meerdere kranten (hier en hier twee voorbeelden) hebben zich in het jongste conflict deze argumentatie eigen gemaakt. Het gedrag van Israël zou pas het antisemitisme aanwakkeren, luidt de uitspraak. De mensen, die met brandbommen joodse instellingen in Londen, Brussel en Helsingborg aanvielen; de onbekenden, die in Toulouse een synagoge met een brandende auto in brand wilden steken; diegenen, die op talloze antisemitische demonstraties Joden dood wensen; of de man, die in Berlijn met een ijzeren stang bewapend op de synagoge afstormde en twee beveiligingsmensen verwondde om uitdrukking te verlenen aan zijn ”onvrede met het optreden van Israël in de Gazastrook” – zij allemaal zijn pas door het gedrag van Israël antisemieten geworden, ze kunnen er eigenlijk dus helemaal niets aan doen.
Alles pure zelfverdediging…
Bron:
http://www.basisbanalitaet.net/2009/02/der-provozierte-antisemitismus/#more-63
Vertaald uit het Duits door:
E.J. Bron















Laatste reacties